Steeds meer mensen vragen me hoe we het composteren bij ons hebben aangepakt, en eerlijk: ik begrijp het, want toen ik begon had ik ook tien vragen tegelijk en geen idee waar ik het antwoord moest zoeken. Daarom hieronder een Q&A, opgebouwd zoals ik het zelf had willen krijgen — geen lange inleidingen, gewoon de vragen die je écht hebt voor je begint.
Heb ik een grote tuin nodig om te composteren?
Nee. Voor een gemiddeld huishouden is een vat van 200 tot 400 liter genoeg, en dat past op een vierkante meter. Heb je geen tuin maar wel een balkon? Dan kun je met een bokashi-emmer of een wormenbak prima binnen composteren — geur is veel minder erg dan mensen denken, mits je het goed onderhoudt.
Wat mag er wel in en wat niet
Een simpele vuistregel: alles wat ooit heeft geleefd, mag erin. Behalve dierlijke producten (vlees, vis, zuivel, ei in grote hoeveelheden) en gekookt voedsel met saus of vet. Die trekken ongedierte aan en gaan in een gewone composthoop niet snel genoeg om. Groente- en fruitresten, koffiedik, theezakjes (zonder nietje), tuinafval, eierschalen en kartonresten zonder inkt mogen allemaal.
Wat is bruin en groen materiaal
Composteurs noemen “groen” alles wat vers en nat is — groenteresten, gemaaid gras, koffiedik. “Bruin” is droog en koolstofrijk: karton, droog blad, houtsnippers. De magie zit in de verhouding: ongeveer twee delen bruin op één deel groen. Veel beginners doen alleen groen en krijgen dan een natte, stinkende soep. Voeg karton toe en het keert om.
Moet ik echt elke week omscheppen
Niet per se. Wij scheppen één keer per maand, en dat werkt prima. Wel sneller dan halfjaarlijks omscheppen — een composthoop die nooit lucht krijgt, gaat fermenteren in plaats van composteren. Een goed alternatief is een composteur met geintegreerde beluchtingspijp; daar hoef je weinig aan te doen.
Hoe lang duurt het voor ik echte compost heb
Tussen de zes maanden en anderhalf jaar, afhankelijk van seizoen en hoe vaak je omschept. In de zomer veel sneller dan in de winter — boven 20 graden gaat het hard, onder de 5 graden vrijwel stil. Wij hebben in maart begonnen en hadden in oktober eerste bruikbare compost.
Stinkt het niet enorm
Een goed werkende composthoop stinkt niet — hij ruikt naar bosgrond. Als het wel stinkt, is er bijna altijd één van twee dingen aan de hand: te veel groen materiaal (te nat), of te weinig zuurstof (te dicht ingepakt). Een handvol karton erbij en een keer omschoppen lost het in 90% van de gevallen op.
Trek ik geen ratten aan
Niet als je geen dierlijk materiaal toevoegt en de composteur op de juiste manier afdekt. Open hopen zijn aantrekkelijker voor knaagdieren dan gesloten vaten. In het centrum waar wij wonen kies ik altijd voor een gesloten vat met fijnmazig gaas in de bodem; in zes jaar nooit een rat in de tuin gezien.
Heb ik specifiek “starter-materiaal” nodig
Nee, hoewel een schep oude compost of een handvol tuingrond het proces wel sneller op gang brengt. De bacteriën en schimmels die het werk doen, komen vanzelf vanuit de bodem en het materiaal zelf. Zogeheten “compostversnellers” uit een fles zijn meestal weggegooid geld — voeg liever wat blad of houtsnippers toe en wees geduldig.
Wat doe ik in de winter
Doorgaan met aanvullen, niet omscheppen. De hoop blijft warm vanbinnen, ook bij vorst, en gaat in maart weer aan de gang zodra de temperatuur stijgt. Sommige composteurs dekken de hoop af met een oud zeil of laag stro voor extra isolatie; bij ons hoeft dat in de stad niet eens.
Wat doe ik met de eerste oogst
Op je groentebed, bij struiken, of in pottengrond mengen — overal waar planten een boost kunnen gebruiken. Strooi nooit pure compost op een gazon (te zwaar) of in een pot zonder bijgemengde tuinaarde (te voedingsrijk). De vuistregel: vijf tot tien procent compost in een potmengsel, en een dunne laag van een centimeter op een groentebed.
Eén ding nog: composteren is niet perfectionistisch. De natuur doet het werk; jij bent vooral facilitator. Als de eerste keer niks lijkt te lukken, voeg karton toe, schep door, en wacht. Het komt vrijwel altijd goed.